Jump to main content
{title: In 't kleine café aan de haven} {artist: Vader Abraham} {time: 6/8} {tempo: 60} {key: Gm} {meta: author Frans-Willem Post, 2026-05-06} {start_of_part: Intro} [Gm] {end_of_part} {start_of_verse: Verse 1} De [Gm]avondzon valt over straten en pleinen, de gouden zon zakt in de [D]stad. En [D]mensen die moe in hun huizen verdwijnen, ze hebben de dag weer ge[Gm]had. De neonreclame die knipoogt langs ramen, het [Gm]motregent zachtjes op [Cm]straat. De stad lijkt gestorven toch [Gm]klinkt er muziek, uit een [D7]deur die nog wijd open [G]staat. {end_of_verse} {start_of_chorus: Chorus 1} Daar in dat [G]kleine café aan de haven, daar zijn de mensen gelijk en te[D7]vree. Daar in dat [C]kleine café aan de [G]haven, daar telt je [D]geld of wie je [D7]bent niet meer [Gm]mee. {end_of_chorus} {start_of_verse: Verse 2} De [Gm]toog is van koper, toch ligt er geen loper, de voetbalclub hangt aan de [D]muur. de [D]trekkast die maakt meer lawaai dan de jukebox, een pilsje dat is er niet [Gm]duur. Een mens is daar mens, rijk of arm, 't is daar warm, geen mon[Gm]sieur of madam maar W[Cm]C. Maar het glas is gespoeld in het [Gm]helderste water, ja het [D7]is daar een heel goed ca[G]fé. {end_of_verse} {chorus: Chorus 2} {start_of_verse: Verse 3} De [Gm]wereldproblemen die zijn tussen twee glazen bier opgelost voor al[D]tijd. Op de [D]rand van een bierviltje staat daar je rekening, of je staat in het [Gm]krijt. Het enige wat je aan eten kunt krijgen, dat [Gm]is daar een hardgekookt [Cm]ei. De mensen die zijn daar ge[Gm]lukkig gewoon, ja de [D7]mensen die zijn daar nog [G]blij. {end_of_verse} {chorus: Chorus 3 (repeat)}